|
Inkomstenbelasting. Aftrek van uitgaven voor monumentenpanden
Besluit | 16-06-2008 | nr CPP08-68
Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling,
Sector brieven & beleidsbesluiten
Besluit van 16 juni 2008, nr. CPP2008/68M, Stcrt. nr. 120
De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
In dit besluit wordt het besluit van 11 mei 2006, nr. CPP2005/2575M geactualiseerd.
Hierbij is geen beleidswijziging beoogd. In onderdeel 2.1 is een nieuwe
goedkeuring opgenomen. De onderdelen 4 en 5 van het oude besluit hebben
door wetswijziging per 1 januari 2008 hun belang verloren.
1. Inleiding
In dit besluit zijn de standpunten opgenomen over de aftrek van uitgaven
voor monumentenpanden (artikel 6.31 van de Wet IB 2001).
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
| Bureau Monumentenpanden |
Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Amersfoort/Bureau Monumentenpanden |
| Brim |
Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten |
| Monumentenregister |
Register, bedoeld in artikel 6 of 7 van de Monumentenwet 1988 |
| Monumentenpand |
Beschermd rijksmonument dat is ingeschreven in het Monumentenregister |
| RACM |
Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten |
| Restauratiefonds |
Stichting Nationaal Restauratiefonds in Hoevelaken |
2. Algemeen
Uitgaven voor monumentenpanden zijn aftrekbaar voor rijksmonumenten. Aftrek
is dus niet mogelijk voor gemeentelijke monumenten of voor een schip dat
staat ingeschreven in de schepenlijst van het Nationaal Register Varende
Monumenten.
Aftrekbaar zijn de uitgaven voor het rijksmonument. Uitgaven van niet-monumentale
aanhorigheden zijn niet aftrekbaar. De uitgaven voor een aanhorigheid
zijn wel aftrekbaar als de aanhorigheid als zelfstandige eenheid is genoemd
in de redengevende omschrijving van een rijksmonument. Dit geldt ook als
het pand, waar de aanhorigheid tot behoort, zelf niet is ingeschreven.
De uitgaven voor het pand zelf zijn dan uiteraard niet aftrekbaar.
2.1. Nog niet ingeschreven monument waarvan de aanwijzing
definitief is
Uitgaven voor monumentenpanden die betrekking hebben op de periode vóór
de inschrijving in het monumentenregister zijn niet aftrekbaar. Voordat
een monument kan worden ingeschreven, wordt het monument eerst aangewezen
als beschermd monument. Tegen de aanwijzing als beschermd monument mag
binnen zes weken bezwaar worden gemaakt. De aanwijzing is definitief als
binnen die periode geen bezwaar is ingediend. Vervolgens wordt het pand
ingeschreven in het monumentenregister. Vanaf dat moment is sprake van
een monumentenpand waarvan de uitgaven aftrekbaar zijn.
Goedkeuring
Ik keur met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
(hardheidsclausule) goed dat ook de uitgaven voor monumentenpanden aftrekbaar
worden gebracht die zijn gedaan in de periode vanaf het moment dat de
aanwijzing definitief is geworden tot de datum van inschrijving in het
monumentenregister.
3. Huurderslasten
Niet aftrekbaar zijn de zogenoemde huurderslasten, zoals tuinonderhoud,
behangen, binnenverf- en witwerk en kleinere reparaties (Hoge Raad, 5
oktober 1988, rolnr. 25 613, BNB 1988/321). Hierna behandel ik onder 3.1
en 3.2 de uitgaven van binnenschilderwerk en de uitgaven voor tuin of
parkaanleg.
3.1. Uitgaven voor binnenschilderwerk
Uitgaven voor binnenschilderwerk kunnen worden aangemerkt als uitgaven
voor monumentenpanden voor:
- schilderwerk dat samenhangt met andere onderhoudswerkzaamheden die tot
aftrek leiden, bijvoorbeeld bij lekkages, optrekkend vocht, vervanging
van ramen, leidingen;
- schilderwerk van bijzondere monumentale onderdelen, dat zo arbeidsintensief
is dat een huurder de hoge kosten daarvan niet meer voor zijn rekening
zal willen nemen.
3.2. Uitgaven voor een tuin- of parkaanleg
Uitgaven voor een tuin- of parkaanleg zijn aftrekbaar indien de aanleg
als beschermd monument of als onderdeel van een beschermd monument is
ingeschreven in het monumentenregister.
3.2.1. Drempel bij uitgaven voor een monumentale
tuin- of parkaanleg
Voor de aftrek van tuinkosten geldt een drempel. Zie ook de uitspraak
van Hof Amsterdam van 4 juli 2003, nr. 02/6278 (LJN: AH9844). Ik verzoek
de Belastingdienst voorkomende gevallen in overleg met het Bureau Monumentenpanden
te behandelen. Aan de hand van de ervaringen zal worden beoordeeld of
er mogelijk algemene uitgangspunten zijn te formuleren voor de te hanteren
drempel.
3.2.2.Overgangsregeling
Het kan voorkomen dat uitgaven zijn gemaakt voor een tuin- of parkaanleg
die nog niet is in- of bijgeschreven in het monumentenregister, maar waarvoor
wel een aanwijzingsprocedure loopt. Aftrek van uitgaven over de periode
vóór de inschrijving in het monumentenregister is niet mogelijk.
Goedkeuring
Ik keur met toepassing van de hardheidsclausule goed dat uitgaven voor
een tuin die nog niet als zelfstandige eenheid is genoemd in de zogenoemde
redengevende omschrijving van het rijksmonument, toch in aftrek kunnen
komen als is voldaan aan de volgende voorwaarden:
- Op het moment waarop de kosten in aftrek worden gebracht, is de tuin-
of parkaanleg als zelfstandig eenheid genoemd en ingeschreven in het monumentenregister.
- In de periode waarover de uitgaven zijn gedaan, is de tuin- of parkaanleg
door de RACM aangemerkt als monumentaal onderdeel bij een pand dat is
ingeschreven in het monumentenregister.
De Belastingdienst kan via het Bureau Monumentenpanden controleren of
aan de voorwaarden is voldaan.
Ambtshalve vermindering
De uitgaven komen in aftrek in het jaar waarin zij zijn betaald of anderszins
in aanmerking worden genomen op grond van artikel 6.40 van de Wet IB 2001.
Op verzoek kan ambtshalve vermindering worden verleend voor de aftrek
van uitgaven voor een monumentale tuin. Hierbij gelden de gebruikelijke
voorwaarden voor ambtshalve vermindering.
4. Meegekochte onderhoudskosten/verplichtingen
Onderhoudskosten van monumentenpanden zijn in beginsel aftrekbare uitgaven
voor monumentenpanden. Dit wordt niet anders als het monumentenpand wordt
gekocht met de bedoeling onderhoud te verrichten. Als de koper het onderhoud
niet zelf verricht, kan dit leiden tot de vraag of de kosten voor hem
aftrekbaar zijn. Kosten die samenhangen met de verwerving van de woning
zijn namelijk bronkosten. Bronkosten zijn geen aftrekbare uitgaven voor
monumentenpanden. Nadat is vastgesteld dat sprake is van aftrekbare monumentenuitgaven
(objectief), komt de vraag op, aan wie de aftrekbare kosten kunnen worden
toegerekend (subjectief). Deze beoordeling is afhankelijk van de gesloten
overeenkomst(en).
Onderscheidend criterium is wie het onderhoud voor zijn rekening neemt.
Als de koper de kosten betaalt, heeft hij in beginsel recht op aftrek.
Zelfs als de verkoper het onderhoud uitvoert of laat uitvoeren, kunnen
het kosten voor de koper zijn. Als de verkoper het onderhoud uitvoert
of laat uitvoeren en (de kosten met de koopsom van het pand) in rekening
brengt bij de koper, heeft de koper echter geen recht op aftrek. De kosten
zijn voor de koper dan niet-aftrekbare bronkosten. De kosten kunnen dan
aftrekbaar zijn bij de verkoper.
5. Drempel
De drempel is een jaarbedrag. Ook als de woning niet het gehele jaar in
b ezit is, geldt de volledige jaardrempel. Bij fiscale partners worden
de uitgaven samengeteld. Vervolgens wordt daarover de drempel toegepast.
De drempel wordt berekend over de gezamenlijke waarde. Bij niet-fiscale
partners neemt ieder zijn eigen uitgaven. De drempel wordt per persoon
berekend over waarde van ieders aandeel in het monumentenpand.
5.1. Drempel bij een tweede woning
De tweede woning die in belangrijke mate ter beschikking staat, wordt
gewaardeerd op de WOZ-waarde (artikel 5.20 van de Wet IB 2001). Voor de
drempelberekening geldt echter de waarde in het economische verkeer van
artikel 5.19 Wet IB 2001 op 1 januari van het desbetreffende jaar (artikel
6.31, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001).
5.2. Drempel bij gesplitst gebruik
Bij een monument in gesplitst gebruik is voor de toerekening van de drempel
van belang voor welk deel van het monument de kosten zijn gemaakt. Dit
is bijvoorbeeld van belang als het monument deels als eigen woning in
gebruik is (drempel over 2008 is 0,75% van WOZ-waarde) en deels door verhuur
wordt aangemerkt als box 3-bezitting (drempel is 4% van de waarde in het
economische verkeer). Onderhoudskosten die specifiek betrekking hebben
op een bepaalde ruimte, worden aan die ruimte toegerekend. Kosten die
niet specifiek betrekking hebben op een bepaalde ruimte, worden naar rato
toegerekend (zie het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2001, nr.
35.464, LJN: AD7140).
Voorbeeld
De begane grond van een monumentenpand is verhuurd (box 3). De waarde
in het economische verkeer daarvan is € 160.000. De eerste etage
is in gebruik als eigen woning (WOZ-waarde € 140.000). De klokgevel
aan de eerste etage en het dak worden gerestaureerd. De kosten zijn €
40.000. Van de kosten aan de gevel of het dak, kan niet gezegd worden
dat zij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ter beschikking staan aan
het woongedeelte. De kosten worden gesplitst op basis van gebruik. In
dit geval is de totale drempel (cijfers 2008) € 7.450, Voor het woongedeelte:
0,75% van € 140.000 = € 1.050 en voor het box 3-gedeelte: 4%
van € 160.000 = € 6.400.
6. Fiscale duidelijkheid vooraf bij restauratie
Eigenaren van een rijksmonument met plannen voor de restauratie of (groot)
onderhoud van hun monument kunnen vooraf duidelijkheid verkrijgen over
de fiscale gevolgen van deze voorgenomen werkzaamheden. De eigenaar doet
daarvoor een verzoek bij het Bureau Monumentenpanden. Deze regeling heeft
alleen betrekking op monumentenpanden en -tuinen die zijn ingeschreven
in het monumentenregister. Het Bureau Monumentenpanden stelt voor de uitgaven
voor monumentenpanden en monumentale tuinen de hoogte van de fiscaal aftrekbare
onderhoudskosten vast voor de heffing van de inkomsten- en vennootschapsbelasting.
Door het Brim kan de vaststelling door het Bureau Monumentenpanden ook
niet-fiscale gevolgen hebben. Via het Restauratiefonds kan de eigenaar
met een beroep op het Brim een laagrentende lening krijgen. Die lening
is gekoppeld aan het begrip fiscale onderhoudskosten dat vooraf wordt
vastgesteld door het Bureau Monumentenpanden.
Het Restauratiefonds verstrekt ook leningen aan eigenaren voor wie aftrek
van monumentuitgaven niet mogelijk is, zoals niet-belastingplichtige eigenaren
of als fiscaal sprake is van een nieuwe bron van inkomen. Het Bureau Monumentenpanden
stelt dan vast welk deel van de kosten - fictief - als onderhoudskosten
zou worden aangemerkt bij aftrek van monumentenuitgaven. Deze pro forma
vaststelling van de onderhoudskosten heeft weliswaar fiscaal geen gevolg,
maar het Restauratiefonds gebruikt de vaststelling wel voor het verstrekken
van een lening op grond van het Brim.
6.1. Aanvraagformulier
Het aanvraagformulier voor het verzoek is verkrijgbaar bij het Bureau
Monumentenpanden (doorkiesnummer 033-4505277) of te downloaden bij www.belastingdienst.nl.
Het verzoek moet worden ingeleverd met de gegevens die nodig zijn voor
een juiste beoordeling. Op het aanvraagformulier is aangeven welke gegevens
voor deze beoordeling noodzakelijk zijn.
6.2. Tijdstip voor indiening van het verzoek
Het verzoek moet zijn gedaan vóór de aanvang van de eerste
werkzaamheden in het kader van de uitvoering van het restauratieplan.
Bovendien mag met deze feitelijke uitvoering van het restauratieplan pas
worden gestart nadat de situatie ter plekke onderzocht is door een restauratiespecialist
van de Belastingdienst, tenzij het Bureau Monumentenpanden schriftelijk
heeft meegedeeld dat een dergelijk onderzoek niet zal plaatsvinden.
6.3. Beslissing door het Bureau Monumentenpanden
Het Bureau Monumentenpanden neemt nadat het verzoek compleet is ingediend,
binnen 10 weken een beslissing over de fiscale gevolgen van de voorgenomen
werkzaamheden. Indien het Bureau Monumentenpanden niet binnen de termijn
van 10 weken een beslissing kan nemen dan stelt het Bureau Monumentenpanden
de eigenaar daarvan schriftelijk in kennis onder vermelding van de datum
waarop de beslissing kan worden verwacht.
Het Bureau Monumentenpanden zal voor de vaststelling van de fiscale gevolgen
van de voorgenomen werkzaamheden eventueel de bevoegde regio van de Belastingdienst
raadplegen.
6.4. Beslissing namens de Belastingdienst
Ik heb het Bureau Monumentenpanden gemachtigd om een standpunt in te nemen
namens de inspecteur die bevoegd is voor de eigenaar. Het standpunt van
het Bureau Monumentenpanden is echter alleen bindend als is voldaan aan
de voorwaarden en er geen wijziging optreedt in de feiten en omstandigheden
die hebben geleid tot de beslissing van het Bureau Monumentenpanden.
In andere gevallen kan het Bureau Monumentenpanden in zich daartoe lenende
gevallen vooraf nog wel een advies afgeven. Het advies is dan echter niet
bindend voor de bevoegde inspecteur.
Het Bureau Monumentenpanden zal de beslissing of het advies schriftelijk
aan de betrokken eigenaar meedelen. Het Bureau Monumentenpanden stuurt
een afschrift van de beslissing of het advies aan de betrokken kantoren
van de Belastingdienst. Mits de aanvrager daarin heeft toegestemd, zal
het Bureau Monumentenpanden ook een afschrift zenden aan de RACM en het
Restauratiefonds.
De beslissing heeft het karakter van een mededeling en is dus niet een
voor bezwaar en beroep vatbare beschikking. Nadat de beslissing is verwerkt
in een (voorlopige) aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting
kan de eigenaar tegen die aanslag op de gebruikelijke wijze in bezwaar
of beroep gaan.
7. Ingetrokken regelingen
Het volgende besluit is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding
van dit besluit.
- besluit van 11 mei 2006, nr. CPP2005/2575M.
8. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening
van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en
met 1 januari 2008.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 16 juni 2008.
de staatssecretaris van Financiën,
namens deze:
de directeur-generaal Belastingdienst,
mr. J. Thunnissen.
|