ZIP PDF
Actueel

Veilig werken op hoogte:
Keuze van het juiste arbeidsmiddel

BIJLAGE A: Verwijzingen

Richtlijn 2001145/EG van 27 juni 2001, bijlage: 4.2.Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van ladders

4.2.1.Ladders moeten zodanig geplaatst worden dat hun stabiliteit tijdens het gebruik gewaarborgd is. De steunpunten van draagbare ladders moeten op een stabiele, stevige en onbeweeglijke ondergrond van voldoende omvang rusten, zodat de sporten horizontaal blijven. Hangladders worden stevig vastgemaakt, en, met uitzondering van touwladders,zodanig dat zij niet kunnen verschuiven en dat heen en weer zwaaien wordt vermeden.
4.2.2.Het wegglijden van de voet van draagbare ladders tijdens het gebruik moet worden tegengegaan door de boven of onderkant van de ladderbomen vast te zetten, of door middel van een antislipinrichting of een andere, even doeltreffende oplossing. Toegangsladders moeten voldoende boven het toegangsniveau uitsteken, tenzij andere voorzieningen een veilig houvast mogelijk maken. Meerdelige ladders en schuifladders moeten zodanig gebruikt worden dat de verschillende delen niet ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Beweegbare ladders moeten worden vastgezet voordat zij worden betreden.
4.2.3.Ladders moeten zodanig worden gebruikt dat de werknemers steeds veilige steun en houvast hebben. Met name mag het met de hand dragen van lasten op een ladder een veilig houvast niet belemmeren.

Arbowet: artikel 16.6
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de verplichting tot naleving van daarbij aangewezen voorschriften voor zover zij betrekking hebben op arbeid waaraan bijzondere gevaren voor de veiligheid of de gezondheid zijn verbonden zich mede richt tot zelfstandig werkenden.

Arbobesluit: artikel 9.5 - Verplichtingen van zelfstandigen
Een ieder die werkgever noch werknemer is, is verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke zijn opgenomen in de volgende artikelen:
a. van hoofdstuk 2: artikel 2.39;
b. van hoofdstuk 3: de artikelen 3.4, 3.5, 3.39 en 3.40;
c. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.7, 4.8, 4.38, 4.39, 4.41, 4.45, eerste lid, 4.46, eerste lid, 4.54, 4.55, 4.56, eerste lid, onder a, 4.58, 4.59, 4.60, 4.61, 4.62b en 9.15, onder a, sub 1º tot en met 4º, en onder b;
d. van hoofdstuk 6: de artikelen 6.16, 6.18, 6.19, eerste lid, en 6.20;
e. van hoofdstuk 7: artikel 7.4, eerste en tweede lid, voor zover het betreft landbouwtrekkers die 800 kg of meer wegen, en artikel 7.32, tweede en derde lid.

Arbobesluit: artikel 3.16 - Voorkomen valgevaar

  1. Bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat is zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op arbeid, die op veilige wijze op een ladder, trap of dergelijke kan worden verricht.
  3. Indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht of indien het aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, zijn ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt dan wel worden andere technische middelen toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van de in het eerste lid bedoelde arbeid geven. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming.

Arbobesluit: artikel 3.17 Voorkomen gevaar van bewegende voorwerpen
Het gevaar te worden getroffen door ongewild in beweging komende of vrijkomende voorwerpen, produkten, vloeistoffen of gassen wordt voorkomen en, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt. Artikel 3.16, derde lid, laatste volzin, is van toepassing.

Arbobesluit: artikel 7.4 - Deugdelijkheid arbeidsmiddelen

  1. Een arbeidsmiddel bestaat uit deugdelijk materiaal.
  2. Een arbeidsmiddel is van een deugdelijke constructie.
  3. Een arbeidsmiddel is zodanig geplaatst of ingericht, dat het gevaar van verschuiven, omvallen, kantelen, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen.
  4. Artikel 3.17 is van overeenkomstige toepassing.

Arbobesluit: art. 7.4a - Keuringen

3. Een arbeidsmiddel dat onderhevig is aan invloeden die leiden tot verslechteringen welke aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van gevaarlijke situaties wordt, zo dikwijls dit ter waarborging van de goede staat noodzakelijk is, gekeurd, waarbij het zo nodig wordt beproefd.
4. Een arbeidsmiddel als bedoeld in het derde lid wordt voorts gekeurd, waarbij het zo nodig wordt beproefd, telkens wanneer zich uitzonderlijke gebeurtenissen hebben voorgedaan die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van het arbeidsmiddel. Als uitzonderlijke gebeurtenissen worden in ieder geval aangemerkt: natuurverschijnselen, veranderingen aan het arbeidsmiddel, ongevallen met het arbeidsmiddel en langdurige buitengebruikstelling van het arbeidsmiddel.
5. Keuringen worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling.
6. Schriftelijke bewijsstukken van de uitgevoerde keuringen zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet.

Arbobesluit: art. 7.24 Toegang tot het schip

  1. In aanvulling op artikel 3.2 is de toegang tot een ruim van een schip of dek uitsluitend toegestaan door een vaste trap of, indien dit niet mogelijk is, een vaste ladder of klampen of voetopeningen van geschikte afmetingen, van voldoende sterkte en van een behoorlijke constructie dan wel andere deugdelijke toegangsmiddelen.
  2. De in het eerste lid genoemde toegangsmiddelen zijn, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, gescheiden van de luikopeningen.

Arbobesluit: art. 7.33 - Ladders en trappen

  1. Ladders en trappen zijn voldoende sterk en stijf.
  2. Ladders en trappen zijn stabiel opgesteld en zo nodig vastgezet en van een voldoende lengte om in alle standen waarin zij worden gebruikt, een stevige steun voor handen en voeten te bieden.

Beleidsregel 3.16 Voorzieningen bij valgevaar
Grondslag: Arbobesluit artikel 3.16, eerste en tweede lid.
1. Het tegengaan van valgevaar bij het verrichten van arbeid door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen e.d. (de zgn. randbeveiliging) als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit is in ieder geval noodzakelijk indien het valgevaar 2,5 m of meer is indien de arbeid wordt verricht op statische arbeidsplaatsen en bij ieder valgevaar indien arbeid wordt verricht op arbeidsplaatsen, die daarbij in beweging zijn of kunnen komen.
2. Voor arbeidsplaatsen op pluklorries, die voor 1-1 -1992 in gebruik zijn genomen in champignonkwekerijen of kassen, wordt randbeveiliging aangebracht bij valgevaar van 1,20 m of meer.
3. Het tegengaan van valgevaar bij montage van liften in liftschachten vanaf een montageplatform of vanaf een bewegende vloer is in overeenstemming met het gestelde in artikel 3.16, eerste lid, indien wordt voldaan aan de eisen voor bewegende vloeren in iiftschachten, zoals werden gepubliceerd in Mededeling 236, derde kwartaal 1992 van het Liftinstituut.
4. Indien het valgevaar vanaf statische constructies gepaard gaat met risicoverhogende omstandigheden, zoals het gevaar te vallen op of langs uitstekende delen, de aanwezigheid van verkeer, het vallen in water e.d., dan wordt randbeveiliging ook aangebracht bij geringer valgevaar, afhankelijk van de toename van het risico.
5. Ter bepaling van het optredende valgevaar wordt bij schuine werkvlakken uitgegaan van het hoogste punt dat kan worden betreden.
6. Hekwerken c.q. randbeveiligingen worden als doelmatig aangemerkt indien:
a. ten aanzien van de constructie
1. zij aan de bovenzijde zijn voorzien van een stevige leuning op tenminste 1,0 m boven het werkvlak;
2. zij bij open constructies aan de onderzijde aansluitend op het werkvlak zijn voorzien van een kantplank van 15 cm hoog; indien uitsteeksels het aansluiten verhinderen, is hierop enige afwijking (1 5 cm)
toegestaan, mits in overeenstemming met het gestelde in artikel 3.17 maatregelen zijn genomen die voorkomen, dat personen kunnen worden getroffen door voorwerpen, die door de aldus ontstane opening(- en) vallen of rollen en open constructies de openingen zodanig beperkt blijven, dat een kubus met zijden van 47 cm de openingen niet kan passeren.
b. ten aanzien van de sterkte
1. zij niet bezwijken bij een op de meest ongunstige plaats aangebrachte neerwaartse belasting van 1,25 kN danwel de vervorming ten gevolge van die belasting van dien aard is dat de functionaliteit van het hekwerk c.q. de randbeveiliging gewaarborgd blijft;
2. zij zijdelings niet meer dan 3,5 cm doorbuigen en niet worden verplaatst bij een horizontale belasting van 0,3 kN en
3. zij in functie blijven (niet uit een aanwezige bevestiging worden getild) bij een opwaarts gerichte belasting van 0,3 kN.
7. Hekwerken cq. randbeveiligingen kunnen bij niet schuine werkvlakken achterwege blijven, indien de arbeid op meer dan 4,0 m afstand van de rand van het werkvlak wordt uitgevoerd en de arbeidszone
alsmede de weg daar naar toe duidelijk gemarkeerd zijn. Indien de arbeidszone en de weg daar naar toe tevens zijn afgezet, kan deze afstand tot 2,0 m beperkt worden.
8. Werkvloeren zijn altijd gesloten of dichtgelegd. Voor afwateringsdoeleinden e.d. zijn geringe openingen toegestaan, die door een kubus met zijden van 8 cm niet kunnen worden gepasseerd.
9. Onder "het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat" wordt ook verstaan het zich begeven naar de arbeidsplaats. Doelmatige voorzieningen hiervoor kunnen ladders zijn, mits deze bij klimhoogten van 10 m of meer op maximale afstanden van 7,50 m zijn onderbroken door rustbordessen.
Ladders steken tenminste 1 meter uit boven de gewenste sta- of overstaphoogte. Op het te betreden vlak is aan weerszijden van de toegang randbeveiliging aangebracht over een lengte van 4,0 m of sluit de toegang aan op de aanwezige randbeveiliging.
10. Onder "arbeid die op veilige wijze op een ladder, trap of dergelijke kan worden verricht", wordt in overeenstemming met het gestelde in artikel 3.16, tweede lid , verstaan arbeid, die wordt verricht vanaf stabiel opgestelde staande ladders tot werkhoogten van 1 0,0 m of arbeid die verricht wordt vanaf permanent aangebrachte hangladders tot hoogten van 20,0 m, mits daarbij de te overbruggen verticale afstand niet meer dan 1 0,0 m bedraagt.
11. Onder arbeid als bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt niet verstaan arbeid verricht met een niet-permanent aangebrachte hangsteiger of hangiadder of de
zogenaamde (handbediende) klassieke bootsmanstoel. Bij arbeid met deze of soortgelijke middelen, waarbij kabels, touwen en dergelijke worden gebruikt, worden voorzieningen getroffen overeenkomstig het gestelde in artikel 3.16, derde lid.
Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van schepen. Voor schepen gelden de voorschriften voor de voorzieningen bij valgevaar zoals die in de schepenwetgeving zijn opgenomen.

Toelichting Beleidsregel 3.16 Voorzieningen bij valgevaar
Bij arbeidsplaatsen, die tijdens het verrichten van arbeid in beweging zijn of kunnen komen is het risico voor vallen aanzienlijk groter dan bij statische constructies, wegens de veel grotere kans, dat iemand zijn evenwicht verliest als gevolg van de mobiliteit (remmen, onverhoeds in beweging komen e.d.).
Bovendien bestaat veelal het gevaar dat men na het vallen wordt aangereden. Bij dergelijke arbeidsplaatsen wordt daarom altijd randbeveiligin g aangebracht.
De maat van 1,20 m bij pluklorries is gekozen in relatie tot de hoogte van de champignonbedden. Voor pluklorries, die voor 1-1 -1 992 in gebruik zijn genomen, werd deze hoogte geaccepteerd als overgangsbepaling.
Er bestaan vrijstaande uitvoeringen van randbeveiliging die niet aan de constructie is verankerd. Zij blijven op hun plaats als gevolg van het eigen gewicht, eventueel aangevuld met extra gewichtsbelasting. Voorkomen moet worden, dat dergelijke randbeveiliging bij lichte aanraking e.d. van zijn plaats (kan) schuiven. Hierdoor is de eis ontstaan, dat randbeveiliging bij de genoemde horizontale belasting ook niet mag verplaatsen.
De montage van nieuwe liften in een schacht betreft een specifieke situatie. De genoemde publicatie van het Liftinstituut kwam in overeenstemming met alle betrokken partijen tot stand.
De maximale hoogte van 10.0 m voor het verrichten van arbeid vanaf ladders is gebaseerd op incidenteel gebruik. Bij langdurig of regelmatig gebruik van ladders ontstaan naast valgevaar ook gezondheidsrisico's wegens het staan op een te smal vlak.
In dergelijke situaties worden ladders indien mogelijk vervangen door andere voor het werken op hoogte beter geschikte arbeidsmiddelen, dan wel is beperking van de arbeidsduur op ladders op zijn plaats.
Niet permanent aangebrachte hangladders en hangsteigers vormen grote risico's voor valgevaar bij het aanbrengen en het verplaatsen ervan (tillen van een onhandelbaar groot voorwerp en het vooroverbuigen/bewegen van het lichaam in de valrichting), die niet afdoende door technische oplossingen worden beheerst.
Ook het werken op niet-permanent aangebrachte hangsteigers kent een aantal onzekere factoren die niet afdoende door de uitvoering en inrichting van de hangsteiger zelf worden beheerst. Dat zijn bijvoorbeeld de ophangconstructie van de hangsteiger, de sterkte van het dak, waarop bijvoorbeeld dakbalken zijn aangebracht om een hangsteiger aan op te hangen, het verplaatsen van de ophangconstructie op het dakvlak, of het in- en uitstappen van de hangbak. Op grond van artikel 3.16, derde lid, is het gebruik van een niet-permanent aangebrachte hangsteiger mogelijk indien aangetoond kan worden dat per situatie of toepassing een even hoge mate van veiligheid bereikt wordt als beoogd in het eerste lid van dit artikel.

Arbobeleidsregel 7.4 - 4 Deugdelijkheid ladders (grondslag - arbobesluit artikel 7.4)

  1. Ladders die bestemd zijn om door één persoon te worden belast, dienen tenminste te voldoen aan de Nederlandse norm NEN 2484 'Draagbaar klimmaterieel. Ladders en trappen. Termen, definities, eisen, beproevingsmethoden, gebruik en onderhoud' 1e druk, december 1989, inclusief correctieblad C1 van 1990.
  2. Ladders die bestemd zijn om door meerdere personen gelijktijdig te worden gebruikt hebben een dienovereenkomstige veiligheid.

zie ook:
[Schema 1] [Schema 2] [Bijlage b Aanwijzingen veilig gebruik ladder]

<< terug naar Notitie
Beginpagina Van Apeldoorn Schildersbedrijf    
home | projecten | onderhoudNL | alg.voorwaarden | subsidie-info | verklaringen | alles over verf
alles over glas | alles over behang | alles over kleur | 4 seizoenen | links | sitemap | sponsoring | actueel |
vacatures | contact