|
Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling,
Sector brieven & beleidsbesluiten
Besluit van 9 augustus 2007 nr. CPP2006/1883M, Stcrt. nr. 166
De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit is een actualisering van het geldende beleid over bedrijfsoverdrachten
binnen de familiesfeer. De opgenomen goedkeuringen waren eerder opgenomen
in het besluit van 22 maart 2004, nr. CPP2004/543M.
1. Inleiding
De verkrijging door (een of meer) bepaalde familieleden van een ondernemer
is vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Het betreft de verkrijging van
goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan de onderneming. Deze onderneming
moet, wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen)
door de verkrijger of verkrijgers worden voortgezet (zie artikel 15, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer).
In dit besluit heb ik met toepassing van de hardheidsclausule van artikel
63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een aantal goedkeuringen
voor de toepassing van deze vrijstelling opgenomen. Met dit besluit wordt
geen beleidswijziging beoogd.
2. Gebruikte begrippen en afkortingen
| BV |
Besloten- of naamloze vennootschap |
| Familielid |
Een of meer (pleeg)kinderen, kleinkinderen, (pleeg-,
of half)broers, (pleeg- of half)zusters van de overdragende ondernemer
of hun echtgenoten |
| Onderneming |
Subjectieve onderneming in de zin van artikel 3.8 van
de Wet inkomstenbelasting 2001 met inbegrip van het buitenvennootschappelijke
ondernemingsvermogen |
| WBR |
Wet op belastingen van rechtsverkeer |
| Vrijstelling |
De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel
b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer |
| AWR |
Algemene wet inzake rijksbelastingen |
3. Overdracht onderneming en inbreng in BV
Een ondernemer draagt zijn onderneming, inclusief onroerende zaken, over
aan een familielid. Vervolgens brengt dit familielid de verkregen onderneming
direct of op een later tijdstip in in een BV, waarvan hij alle aandelen
houdt. Deze inbreng staat de toepassing van de vrijstelling bij de eerdere
overdracht in de familiesfeer in de weg. Dit omdat de verkregen onderneming
niet door het familielid zelf, maar door de BV wordt voortgezet.
3.1 Goedkeuring
Ik keur goed met toepassing van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule)
dat de vrijstelling ook geldt voor een verkrijging van een onderneming
door een familielid, die wordt gevolgd door de inbreng van die onderneming
in een BV, waarvan dit familielid alle aandelen houdt. Daarbij geldt de
voorwaarde dat de inbreng van de onderneming in de BV plaatsvindt met
toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e,
2e, van de WBR. Hierbij wordt voldaan aan alle vereisten van artikel 5
van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer.
De goedkeuring geld niet wanneer de ondernemer zijn onderneming rechtstreeks
overdraagt aan de BV van het familielid. Deze BV is niet een familielid
of daarmee gelijk te stellen.
4. Onderneming ingebracht in BV. Overdracht aandelen
aan familielid en latere overdracht onroerende zaak aan dat familielid.
Een ondernemer drijft zijn onderneming in de vorm van een BV, waarvan
hij alle aandelen houdt. Het bedrijfspand verhuurt hij aan de BV. De ondernemer
draagt in eerste instantie de aandelen in deze BV over aan een familielid.
Op een later moment volgt het bedrijfspand.
In de hiervoor beschreven situatie is geen sprake van een bedrijfsoverdracht
binnen de familiesfeer als bedoeld in de vrijstelling. Het bedrijfspand
wordt immers niet overgedragen als onderdeel van een onderneming aan een
familielid, aangezien de onderneming in een BV werd uitgeoefend.
5. Onderneming ingebracht in BV. Voortzetting onderneming
door familielid en latere overdracht onroerende zaak aan dat familielid.
Overgangsbeleid.
Een ondernemer heeft zijn onderneming, exclusief het bedrijfspand ingebracht
in een BV, waarvan hij alle aandelen houdt. Het bedrijfspand verhuurt
hij sindsdien aan de BV. Hierdoor blijft dit pand dienstbaar aan de onderneming.
Verspreid over een aantal jaren vindt een bedrijfsopvolging plaats. Eerst
gaat de BV een personenvennootschap aan met het familielid van de ondernemer.
De BV brengt daarbij de onderneming in. Later volgt een ontbinding van
de personenvennootschap met toedeling van de onderneming aan het familielid.
Dit familielid zet de onderneming persoonlijk voort. Ter afsluiting van
deze gefaseerde bedrijfsoverdracht draagt de oorspronkelijke ondernemer
de onroerende zaak over aan het familielid.
In de hiervoor beschreven situatie is geen sprake van een bedrijfsoverdracht
binnen de familiesfeer als bedoeld in de vrijstelling. Het bedrijfspand
wordt immers niet overgedragen als onderdeel van een onderneming aan een
familielid, aangezien de onderneming in een BV werd uitgeoefend. Een beroep
op de vr ijstelling van overdrachtsbelasting is dan ook niet mogelijk.
Echter tot 22 mei 2001 heb ik incidenteel, met toepassing van de hardheidsclausule,
goedgekeurd dat de vrijstelling van toepassing is. Voor de vóór
22 mei 2001 in gang gezette gefaseerde bedrijfsoverdrachten acht ik daarom
een overgangsregeling wenselijk.
5.1 Goedkeuring
Ik keur bij wijze van overgangsbeleid met toepassing van artikel 63 van
de AWR (hardheidsclausule) het volgende goed. De vrijstelling is van toepassing
bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht, waarbij het familielid ter afsluiting
hiervan van de oorspronkelijke ondernemer onroerende zaken verkrijgt die
al dienstbaar zijn aan de onderneming van het familielid. Voor alle duidelijkheid
merk ik op dat deze goedkeuring op grond van overgangsbeleid alleen geldt
voor bedrijfsoverdrachten die plaatsvonden onder het wettelijke regime
geldende op 22 mei 2001. Dit betekent dat de goedkeuring zich beperkt
tot overdrachten door een ouder of grootouder aan een of meer kinderen,
pleegkinderen of kleinkinderen, of hun echtgenoten. Daarnaast gelden de
volgende voorwaarden.
- Op 22 mei 2001 drijft het familielid persoonlijk een onderneming.
Hij heeft deze onderneming verkregen van een BV waarvan de oorspronkelijke
ondernemer alle aandelen bezit. Dit al dan niet met tussenkomst van
een BV waarvan het familielid zelf alle aandelen bezit.
- De oorspronkelijke ondernemer heeft de eerder door hem overgedragen
onderneming ook persoonlijk gedreven. De onroerende zaken waren ook
toen dienstbaar aan die onderneming en zijn dat sindsdien onafgebroken
gebleven;
- Aan de overige voor de vrijstelling geldende voorwaarden wordt voldaan.
Het is mogelijk dat de oorspronkelijke ondernemer onroerende zaken heeft
verworven gedurende de periode dat de onderneming voor rekening van de
BV werd gedreven. De goedkeuring geldt niet bij een latere overdracht
van deze onroerende zaken.
6. Overdracht onderneming en inbreng in personenvennootschap.
Iemand draagt zijn onderneming, inclusief onroerende zaken, over aan een
familielid. Vervolgens brengt het familielid de verkregen onderneming
direct of op een later tijdstip in in een personenvennootschap met een
derde. Deze inbreng staat de toepassing van de vrijstelling bij de eerdere
overdracht in de weg. Immers de onderneming wordt wat de bedrijfsvoering
betreft niet in haar geheel door het familielid voortgezet, maar mede
door een derde.
In de bovenstaande situatie is het ook denkbaar dat het familielid de
verkregen onderneming inbrengt in een personenvennootschap met een ander
familielid van de oorspronkelijke ondernemer. Het is in dat geval niet
mijn bedoeling om de bedrijfsoverdracht binnen de geldende familiekring
nodeloos te belemmeren.
6.1 Goedkeuring
Ik keur goed met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen (hardheidsclausule) dat de vrijstelling van toepassing
is bij een overdracht van een onderneming door de ondernemer aan een familielid,
die wordt gevolgd door een inbreng in een personenvennootschap met een
ander familielid van de oorspronkelijke ondernemer. Daarbij gelden de
volgende voorwaarden.
- De onderneming wordt uitsluitend voortgezet door de familieleden van
de oorspronkelijke ondernemer.
- Aan de overige voor de vrijstelling geldende voorwaarden wordt voldaan.
7. Splitsing van de onderneming
Een ondernemer kan zijn onderneming splitsen in verschillende onderdelen.
Ten gevolge van deze splitsing is het mogelijk dat bij een bedrijfsoverdracht
binnen de familiesfeer alleen de grond en niet de bijbehorende voor de
bedrijfsvoering noodzakelijke opstallen worden overgedragen. De vrijstelling
is in dat geval niet van toepassing.
7.1 Goedkeuring
Ik keur goed met toepassing van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule)
dat de vrijstelling van toepassing is bij de overdracht van de onderneming
binnen de familiesfeer, als de tot deze onderneming behorende grond en
niet de voor de bedrijfsvoering noodzakelijke opstallen worden overgedragen.
Daarbij gelden de volgende voorwaarden.
- De verkrijger heeft voor het uitoefenen van zijn onderneming reeds
voor lange duur zelf de beschikking over voldoende opstallen of zal
deze op korte termijn verkrijgen.
- Het verkregen gedeelte van de oorspronkelijke onderneming vormt tezamen
met de opstallen die de verkrijger reeds voor lange duur ter beschikking
heeft of op korte termijn zal verkrijgen een zelfstandige onderneming,
- Aan de overige voor de vrijstelling geldende voorwaarden wordt voldaan.
8. Verkrijging krachtens erfrecht en vermogensbeding
Een ondernemer, gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, drijft een
onderneming in de vorm van een personenvennootschap met een familielid.
Hij heeft de economische eigendom van het bedrijfspand ingebracht in de
vennootschap. De juridische eigendom behoort tot zijn buitenvennootschappelijk
ondernemingsvermogen. In het vennootschapscontract is onder meer bepaald
dat bij het overlijden van één van de vennoten het vennootschapsaandeel
verblijft aan de langstlevende vennoot. Omtrent de juridische eigendom
is geen regeling in het vennootschapscontract opgenomen.
Na het overlijden van de ondernemer levert de echtgenote, als erfgename,
de onverdeelde helft van de onderneming aan het familielid. Vervolgens
levert zij de juridische eigendom van het bedrijfspand. Deze levering
kan worden beschouwd als de laatste stap van de bedrijfsopvolging. De
vrijstelling is hier echter niet van toepassing.
8.1 Goedkeuring
Ik keur goed met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen (hardheidsclausule) dat de vrijstelling van toepassing
is als de echtgenote van de overleden ondernemer, naast het onverdeelde
aandeel in de onderneming ook de juridische eigendom van het bedrijfspand
levert aan een familielid. Het moet hierbij gaan om een levering ter uitvoering
van de b epalingen in een vennootschapscontract. Daarnaast gelden de volgende
voorwaarden.
- Het familielid heeft met toepassing van de vrijstelling de economische
eigendom van het bedrijfspand verkregen ter uitvoering van een vermogensbeding
in de vennootschapsakte.
- Aan alle voor de vrijstelling geldende voorwaarden wordt voldaan.
9. Doorlevering door pachter. Goedkeuring
Ik keur goed dat de vrijstelling van toepassing is in de volgende situatie.
Een ondernemer heeft als pachter van onroerende zaken zijn onderneming
overgedragen aan een familielid. Nadat hij de eigendom heeft verkregen
van de betreffende onroerende zaken, levert hij de eerder door hem gepachte
onroerende zaken aan hetzelfde familielid. Deze doorlevering
kan in dit geval worden aangemerkt als een gefaseerde bedrijfsoverdracht.
Voor deze goedkeuring geldt dat aan alle overige voor de vrijstelling
geldende voorwaarden moet worden voldaan.
10. Overdracht aan bureau beheer landbouwgronden.
Goedkeuring
Ik keur goed met toepassing van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule)
dat de vrijstelling van toepassing is in de volgende situatie. Een ondernemer
heeft de tot zijn onderneming behorende landerijen overgedragen aan het
bureau beheer landbouwgronden. Vervolgens draagt hij zijn onderneming
over aan een familielid. Daarbij gelden de volgende voorwaarden.
- De ondernemer heeft de landerijen overgedragen onder de voorwaarde
dat het bureau beheer landbouwgronden de landerijen in langlopende pacht
uitgeeft aan het familielid.
- Aan alle voor de vrijstelling geldende voorwaarden wordt voldaan.
11. Voorbehoud aan goedkeuringen
De in dit besluit opgenomen goedkeuringen verleen ik in situaties waarin
de overdrachtsbelasting volgens de wettelijke bepalingen verschuldigd
is. Deze wettelijke verschuldigdheid brengt mee dat bij een toekomstige
overdracht van de verkregen onroerende zaken de koper onder omstandigheden
formeel gezien aanspraak kan maken op een vermindering van overdrachtsbelasting
op grond van artikel 9, vierde lid, dan wel artikel 13 van de WBR. Indien
en voor zover bij een toekomstige verkrijging op deze grond aanspraak
op vermindering wordt gemaakt, komt de verleende tegemoetkoming te vervallen.
12. Ingetrokken regelingen
De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding
van dit besluit.
- Besluit van 21 april 1972, nr. B72/5399, laatstelijk gewijzigd bij
Besluit van 18 juli 1991, nr. VB 91/1044, § 26
- Besluit van 18 augustus 1987, nr. 285-2811
- Besluit van 22 mei 2001, nr. CPP2001/1227M
- Besluit van 22 maart 2004, nr. CPP2004/543M
13. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening
van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en
met de dagtekening van het besluit.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 9 augustus 2007.
De staatssecretaris van Financiën,
namens deze:
De directeur-generaal Belastingdienst,
mr. J. Thunnissen.
|