Behang encyclopedie

Behangen?
Van Apeldoorn Schildersbedrijf
adviseert!



Verwerkingsadviezen - Vochtbestrijding

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Plakmiddelen  
Inleiding Plakmiddelen op basis van ZETMEEL Plakmiddelen op basis van CELLULOSE VINYLLIJMEN
Enige begrippen Grondstoffen Grondstoffen Inleiding
- Tarwezetmeel Methylcellulose Polyvinylacetaatlijm
- Aardappelzetmeel Carboxy-methyl-cellulose Polyvinylacetalen
- - - Copolymeren van polyvinylacetaat
Resumé - - -

 

 

 

 

Inleiding  
Het aan elkaar bevestigen van verschillende of gelijke materialen door middel van een plak- of lijmmiddel is momenteel één van de belangrijkste en veelzijdigste verbindingsvormen.
In de industrie, op de bouw en in vele andere sectoren worden plak- en lijmmiddelen gebruikt.
Met succes plakt men momenteel beton en verschillende elementen in de prefabbouw, evenals materialen in de vliegtuigindustrie.
In deze laatste industrie gebruikt men o.a. een fenolhars gecombineerd met polyvinylformal of polyvinylbutyral.
Ook in de scheepsbouw wordt veel gelijmd, zelfs op plaatsen waarbij voorheen alleen klinknagels en de lastechniek aan de orde waren. Maar ook voor de wandafwerkingsmaterialen zijn er nieuwe lijmsoorten gekomen waardoor de mogelijkheden voor de wandafwerker i.c. de behanger veel ruimer zijn geworden.
Naast de plakmiddelen die we reeds kennen o.a. voor grondpapier en behang worden nu lijmsoorten toegepast voor kunststoffen o.a. voor verschillende vinylwandbekledingen, polystyreenprodukten, etc.
Ook voor textielwandbekleding, natuurprodukten, plaatmaterialen en andere wandafwerkingsmaterialen zijn lijmsoorten beschikbaar.
Elke vorm van wandafwerking kan men dus toepassen omdat én het materiaal én de daarvoor geschikte lijmsoort aanwezig is.
Bovenzijde pagina  

 

 

 

 

 
Enige begrippen  
Als we een wandbekleding gaan aanbrengen, moet het te gebruiken plakmiddel de eigenschap bezitten om dit materiaal met de wand te verbinden.
De begrippen kohesie/adhesie en verankering spelen hierbij een belangrijke rol.
Kohesie komt van het latijnse woord "Cohaerere" dat samenhang betekent.
Van deze kohesie hangt af of een materiaal elastisch of stug, buigbaar of breekbaar is.
Stoffen met een geringe kohesie zijn over het algemeen bros.
Ze breken gemakkelijk zoals o.a. glas, gietijzer en magere harsen. Stoffen met een betere samenhang laten zich buigen zonder te breken zoals lood, koper en veel kunststoffen.
De sterkste kohesiekrachten treffen we in elastische stoffen aan. Deze zijn rekbaar en keren na het uitrekken weer in hun oorspronkelijke toestand terug.
Kohesie is dus de samenhang van gelijksoortige moleculen in één stof. Moeten twee verschillende stoffen met elkaar verbonden worden zoals o.a. bij het aanbrengen van wandbekleding dan is de adhesie van belang.
Adhesie komt van het latijnse woord "Adhaerere" dat vastzitten of kleven aan betekent.
Bij het plakken moet een plakmiddel enerzijds een goede verbinding met een wandbekleding en anderzijds met de ondergrond geven.
De kohesie van het piakmiddel zorgt er weer voor dat de onderlinge samenhang niet verbroken wordt.
In de praktijk zal men vaak ervaren dat de adhesie van het plakmiddel beter is dan de kohesie.
De verbinding van twee verschillende stoffen is dus beter dan de samenhang van het plakmiddel.
Maar niet alleen het plakmiddel is belangrijk. Ook de structuren van de aan elkaar te plakken materialen zijn voor een goede verbinding van invloed.
Op een niet gladde ondergrond kan een plakmiddel zich gemakkelijk
Op een gladde, gesloten ondergrond zal een gewoon plakmiddel minder goed hechten.
Dit komt omdat het plakmiddel niet in de poriën kan dringen, dus zich niet met die ondergrond kan verankeren.
De adhesie van het plakmiddel moet in dit geval dus groter zijn omdat de mogelijkheid tot verankering niet aanwezig is.
Door de laag vetvrij en ruw te maken is min of meer verankering mogelijk.
Beter kan men een sterker plakmiddel, dus met een grotere adhesie gebruiken.
Bovenzijde pagina  

 

 

 

Plakmiddelen op basis van ZETMEEL

 
Grondstoffen  
De grondstof voor deze plakmiddelen is, zoals de naam reeds aangeeft, zetmeel.
Het is één van de voornaamste en meest verbreidde verbindingen met organisch gebonden koolstof uit de natuur.
Evenals de mens kweken ook de planten uit hun overschotten een reserve.
Hun reserve bestaat uit zetmeel dat wordt opgeslagen in vruchten, in knollen zoals bijv. in aardappelen. Maar ook in zaden zoals bij tarwe, mais, rogge, grutten, etc.
Dit zetrneel bestaat uit hele kleine korreltjes die elk op zich bestaan uit een kern met daaromheen lagen van verschillende vormen. Hieruit volgt vanzelf al dat de zetmeelkorrels verschillend van grootte en vorm moeten zijn.
Met behulp van de röntgenspectografie heeft men deze gegevens kunnen vaststellen. Hierdoor is bekend geworden dat de korrelgrootte van een aardappel 15 - 100 micron en ovaal van vorm is.
Tarwe heeft een ronde elliptische vorm en de korrelgrootte is van 2 - 35 micron.
Ook het zetmeelgehalte is van elke grondstof niet gelijk. Aardappelen kunnen 10 á 25% zetmeel bevatten. Bij tarwe is dit 58 á 65%. De kunst is nu om dat percentage zetmeel vrij te krijgen.
In Europa bereidt men zetmeel voornamelijk uit aardappelen.
In de V.S. uit mais en in de tropische en subtropische landen uit arrowroot.
Hieruit volgt dus dat men verschillende soorten zetmeel krijgt, afhankelijk van het uitgangsmateriaal.
Chemisch gezien hebben alle zetmeelsoorten de volgende samenstelling n.l. (C6H10O5)n
De voor ons belangrijkste zijn degene die gemaakt worden uit tarwe en aardappelen.
Bovenzijde pagina  

 

 

 

Plakmiddelen op basis van ZETMEEL

 
Tarwezetmeel  
Om zetmeelplaksel op basis van tarwe te fabriceren, gaat men uit van tarwe dat met de latijnse benaming Tritieum heet.
Tritieum behoort tot de familie van de Gramineëen en het meest wordt Triticum aestivum verbouwd.
Als het tarwe rijp is, wordt het geoogst en tot tarwebloem gemalen. Dit tarwebloem is van nature niet koud oplosbaar. Wel neemt het veel water op waardoor een dikke brei ontstaat. Om hiervan een plaksel te krijgen moet het met kokend water worden aangemaakt. Het mengsel wordt dan steeds dunner totdat er plotseling een verdikking optreedt. Deze verdikking ontstaat doordat door de toevoeging van kokend water de zetmeeldeeltjes opzwellen en openbarsten.
Naast de plaksels op basis van tarwebloem zijn er ook plaksels op basis van tarwestijfsel. Het verschil tussen deze twee is dat de laatste "glutenvrij" is.
Het woord "gluten" komt eveneens uit het latijn en betekent lijm. Het zijn de kleefstoffen uit de eiwitdelen van de graansoorten. Deze gluten zwellen wel in water maar lossen er niet in op.
Om deze kleefstoffen uit het tarwebloem te verwijderen laat men de tarwekorrels in water weken waardoor ze opzwellen.
Op walsen worden deze korrels geplet waardoor het zetmeel vrijkomt. De vrijgekomen zetmeeldeeltjes laat men in bakken bezinken of door centrifugeren wordt het overtollige water er uit geslingerd.
Na het zeven en drogen wordt het gemalen en behalve in poedervorm ook in kristalvorm geleverd.
Het resultaat is een zetrneel met een laag eiwitgehalte dat kort van samenstelling, wit van kleur en neutraal reagerend is.
Van dit natuurlijke zetmeel moet nog een in koud water oplosbaar plaksel gemaakt worden.
In grote trekken gaat dit als volgt;
Het stijfsel wordt met alkaliën (3% NAOH) verwarmd en door een zuurbehandeling geneutraliseerd. Hierna volgt een behandeling met een magnesium- of calciumchlorideoplossing en met oxydatiemiddelen. Voor deze laatsten worden vooral peroxyden gebruikt.
De massa wordt vervolgens verhit tot 150 á 200º'C en opgelost in water. Bovendien wordt aan deze pasta nog weekmakers toegevoegd in de vorm van glycerol, stroop of hygroscopische zout.
Als hygroscopische zouten gebruikt men keukenzout, calcium- of magnesiumchloride.
Verder worden nog vloeimiddelen en conserveringsmiddelen zoals bijv. betanaftol, fluornatrium, carbolzuur of salicylzuur toegevoegd.
In sommige gevallen wordt een beetje bittere amandelolie voor de reuk en waterstofperoxyde voor een extra witte kleur gebruikt.
De gehele massa wordt op een wals tot een gladde pap gemalen en in emmers verpakt.
De op deze wijze gemaakte zetmeelpasta's hebben een groot percentage vaste stof, grote plakkracht en zijn met water afdunbaar.
Afhankelijk van het te plakken wandbekledingsmateriaal is deze pasta met 30 - 50% water afdunbaar.
Bovenzijde pagina  

 

 

 

Plakmiddelen op basis van ZETMEEL

 
Aardappelzetmeel  
In ons land wordt natuurlijk- of natief zetmeel voornamelijk gemaakt van aardappelen, die hiervoor speciaal in de veenkolonien worden gekweekt.
Deze aardappelen bevatten globaal 74 - 82% water, 13 - 21% zetmeel, 1 - 2% suiker en dextrine, 20% stikstofhoudende bestanddelen, 0,8% cellulose en pentosanen en 1% as.
Deze percentages variëren niet alleen naar gelang de kwaliteit. Ook zijn de aardappelen beperkt houdbaar waardoor bij een langdurige opslag het zetmeelgehalte versuikerd en dus sterk daalt.
Het is daarom van groot belang dat het zetmeel, dat bestaat uit microscopische kleine maar tamelijk regelmatige broze korrels, snel worden vrijgemaakt.
Deze korrels zitten opgesloten in de diep gelegen plantencellen en zijn omgeven door vruchtwater. De celwanden bestaan uit zeer fijne maar taaie vezels.
Bij de fabricage van aardappelmeel worden de aardappelen eerst gewassen waarna ze worden geraspt.
Deze raspen zijn draaiende cilinders die ongeveer 1000 omwentelingen per minuut maken en waarop fijne zaagjes zijn gemonteerd.
Door dit raspen ontstaat een brijachtige massa, veroorzaakt door de celwandsubstantie, de zetmeelkorrels en het vruchtwater.
De grove vezels worden d.m.v. schudzeven uit de brei verwijderd waardoor meelwater overblijft.
De vezels, ook wel pulp genoemd, worden voor een groot gedeelte voor de fabricage van veevoeder gebruikt.
Het meelwater dat nog fijne vezels bevat, wordt d.m.v. hydrocloons meerdere malen gecentrifugeerd. Hierdoor blijft prachtig wit zetmeelmelk over.
Het overtollige water wordt eveneens door centrifuges verwijderd en de zetmeel wordt in een drooginstallatie door middel van hete lucht gedroogd.
De opbrengst zetmeel is nu ongeveer 10 - 20% van het oorspronkelijke gewicht van de aardappel.
Dit zetmeel wordt tot poeder gemalen, gezeefd en opgeslagen. Maar om verschillende koudwaterplaksels te maken kan dit natuurlijke zet-meel nog op diverse manieren worden behandeld.
Een van de derivaten wordt gemaakt door het natuurlijke zetmeel fijn te verdelen in water en zowel chemisch als mechanisch bij een bepaalde temperatuur af te breken en op walsen te drogen.
Hierdoor ontstaat een plakmiddel, een zgn. zwelstijfsel met een oplosverhouding van 1 deel plaksel op 5 á 6 delen water.
Omdat dit plaksel een vrij hoge mate van natuurlijke vochtigheid bezit, zal het bij het vochtig worden van de muur minder snel loslaten.
Wel zal bij een vochtige muur snel schimmelwering optreden maar door toevoeging van schimmelpreparaten kan dit gedeeltelijk voorkomen worden.
Een ander derivaat wordt op dezelfde wijze als hierboven, gemaakt. Alleen wordt de mechanische afbraak van het zetmeelmolecuul bij een bepaalde temperatuur voorkomen. Hierdoor behoudt dit derivaat dezelfde viscositeit als het natuurlijke zetmeel.
Men noemt de op deze wijze gevormde plakmiddelen dunkokende of geoxydeerde zetmeelplaksels.
Het nu gevormde plakmiddel toont veel overeenkomst met het natuurlijke zetmeel omdat het dezelfde viscositeit heeft.
Het bindt n.l. ook 1 deel plaksel op 10 - 15 delen water.
Dit plaksel, in de lage aanmaakverhouding, is geschikt voor zwaardere behangsoorten die moeilijk water opnemen.
Ook kan men het goed gebruiken voor het schuieren van grondpapier op linnen.
Bij de hoge aanmaakverhouding is het geschikt voor dunne behangsoorten.
Voor het plakken van grondpapier op nieuwe muren is dit plaksel beter dan de celluloseplaksel omdat de lijm door het hoge vaste stofgehalte minder snel in de ondergrond wegslaat.
De derde derivaat is na de laatste wereldoorlog ontstaan en wordt gemaakt door het zetmeelmolecuul te vergroten.
Men bereikt dit door verestering, verethering of een combinatie van beiden.
Door de molecuulvergroting is ook de wateropname groter.
Het ontstane plakmiddel heeft dan ook een oplosverhouding van 1 deel plaksel op 20 - 25 delen water.
Het voordeel van deze plaksels is, dat het opgelost in water haar oorspronkelijke karakter en viscositeit lange tijd behoudt. Dit juist in tegenstelling tot de twee ander eerder genoemde derivaten.
Naast aardappelmeel in poedervorm wordt dit plakmiddel, evenals tarwezetmeel, ook in pastavorm in de handel gebracht.
Omdat we te maken hebben met een waterhoudend plaksel zijn deze pasta's vorstgevoelig en moeten daarom vorstvrij verwerkt en bewaard worden.
Uiteraard zijn ook de vervoerskosten hoger omdat geen kleine pakjes maar ook een percentage water vervoerd moet worden.
Bovenzijde pagina  

 

 

 

Plakmiddelen op basis van CELLULOSE

 
Grondstoffen  
Cellulose is de meest voorkomende verbinding in de natuur. Bijv. in katoen komt het bijna in zuivere vorm voor.
Ook in planten en bomen treffen we het aan waarbij het vergezeld wordt van andere plantaardige stoffen.
Om een indruk te krijgen van de hoeveelheid cellulose in een boom noemen we denne- en sparrehout dat ongeveer 40% cellulose bevat. Om iets meer te weten waar zich deze cellulose bevindt, is het noodzakelijk dat men iets meer weet van de samenstelling van hout.
Hout is opgebouwd uit houtcellen. Men noemt dit de tracheïden.
Deze tracheïden zijn bij naaldhout soms 9 mm lang terwijl ze bij loofhout niet meer dan 1 mm zijn.
Door de grote lengte van de naaldhoutcellen zijn deze houtsoorten bijzonder geschikt voor de fabricage van celluloseprodukten.
De samenhang van deze cellen wordt veroorzaakt door de incrusten, d.i. het bindmiddelweefsel dat bestaat uit hars, pectine en vooral lignine. Pectine is een stof met zeer grote moleculen; lignine wordt ook wel houtstof genoemd en is een thermoplastische stof dat ongeveer 59 - 67% koolstof bevat.
De stof lignine is een moeilijk oplosbare stof maar heeft de eigenschap om bij de temperatuur van 175ºC week te worden.
Lignine is niet gelijkmatig over de cel verdeeld en is voornamelijk te vinden rondom de plaatsen waar koolhydraten aanwezig zijn.
Deze koolhydraten zijn verbindingen van koolstof (C), waterstof (H) en zuurstof (0). De tussen haakjes geplaatste letters zijn de scheikundige symbolen.
Bij de cellulosefabricage wordt de cellulose van de andere stoffen gescheiden.
Door een chemische behandeling worden de andere stoffen en met name lignine van de cellulose vrijgemaakt.
De vrij gekomen cellulose bestaat uit een lange keten dat gevormd wordt uit ringen.
We noemen dit een gesloten C-keten of beter nog een cyclische verbinding.
Elke verbinding bij cellulose bestaat uit 6 koolstof-, 10 waterstof- en 5 zuurstofatomen.
Deze ringen zijn met elkaar verbonden door een zgn. "zuurstof- of O- brug".
De tot nu toe gevormde cellulose is nog onbruikbaar omdat het praktisch onoplosbaar is.
Om deze cellulose oplosbaar te maken kan men op de plaatsen waar een alcoholische hydroxyigroep (OH-groep) aanwezig is, een andere stof inbouwen, o.a. door:
Men gebruikt hiervoor een organisch of anorganisch zuur dat men met de OH-groep laat reageren.
Tijdens deze reactie komt water vrij.
Gebruikt men bijv. salpeterzuur dan ontstaat cellulosenitraat waarvan de oude benaming nitro-cellulose luidt.
Om van deze stof een lijm te maken moeten nog weekmakers, oplosmiddelen, eventueel vuimiddelen en andere modificerende stoffen worden toegevoegd.
Als weekmaker zijn kamfer, ricinusolie, dibutyiftalaat, dimethylftalaat, ethylaceetanilide, glyceroltriacetaat, e.a. geschikt.
Als oplosmiddel gebruikt men wel aceton, methylethyl- of butylacetaat en dichloormethaan.
Als modificerende stof gebruikt men vaak thermoplasten zoals o.a. polyvinylacetaat.
Verder worden ook wel fenol- alkyd- en natuurharsen toegevoegd.
Als een vuimiddel noodzakelijk mocht blijken dan gebruikt men hiervoor zinkwit, magnesia of krijt.
De nu gevormde cellulosenitraatlijm is beter als universeellijm bekend en wordt vooral in klein verpakking voor huishoudelijk gebruik in de handel gebracht.
B. Verethering.
Hierbij gaat men uit van alkali-cellulose. Dit is een reactieprodukt dat gevormd wordt bij de behandeling van cellulose met natriumhydroxyde (natronloog).
Door de alkali-cellulose te behandelen met alkylchloriden zoals ethylchloride, benzylchloride en methylchloride ontstaat resp. ethylcellulose, benzylcellulose en methylcellulose.
Gebruikt men monochloorazijnzuur dan ontstaat carboxy- methyl-cellulose.
Voor de behanger zijn de in water oplosbare methyl-cellulose en carboxy-methylcellulose het belangrijkste.
Bovenzijde pagina  

 

 

 

Plakmiddelen op basis van CELLULOSE

 

Methylcellulose

 
Om methylcellulose te fabriceren gaat men uit van de grondstof hout. Voornamelijk wordt naaldhout zoals dennehout gebruikt maar ook loofhout en hoofdzakelijk beukehout wordt voor de bereiding van lellulose toegepast.
Afgeschilde paaltjes op een lengte van 1 meter worden aangevoerd en in kleine stukjes gekapt.
Hierna worden ze gesorteerd waarna ze in een ketel, onder druk, aan een sulfiet-, sulfaat of sodaproces worden blootgesteld.
Men gebruikt hiervoor o.a. natronloog (NaOH), kaliloog (KOH) ammoniumhydroxyde (NH40H) of calciumbisulfiet Ca(HSO3)2
Gebruikt men natronloog dan ontstaat natroncellulose dat als een dikke brij overblijft maar nog niet in water oplosbaar is.
Deze brij wordt al of niet gebleekt met chloorkalk waarna men hierop methylchioride laat inwerken.
Hierdoor ontstaat methyl-cellulose.
Er volgen nog gecompliceerde nabehandelingen die voor de kwaliteit belangrijk zijn. Ook volgt nog een droogproces waarna deze methylcellulose in pakjes afgevuld kan worden.
Maar lang niet alles van het fabricageproces is bekend omdat het meeste onder het fabricagegeheim ressorteert.
Zo weten we niets van de duur van de inwerking van de verschillende middelen evenals van de concentraties en de gebruikte temperaturen. Het uiteindelijk resultaat is een niet met andere bindmiddelen versneden cellulosederivaat dat bestaat uit witte of lichtgele korrels van verschillende grootte dat bestand is tegen alkalien en met kalk mengbaar is. Bij de fabricage van dit plakmiddel heeft men de oorspronkelijke lange celluloseketens behouden, waardoor een hoge viscositeit gewaarborgd is.
Het voordeel hiervan is dat het plaksel niet snel door het papier heenslaat. Daardoor voorkomt men dat het patroon aan de voorzijde van het behang week wordt en bij het aanzetten wordt beschadigd.
Een ander eigenschap van methyl-cellulose is de goede oplosbaarheid in koud water. Hoe lager de temperatuur van het water is, des te sneller lost de methyl-cellulose op.
Na het aanmaken in koud water is het ongeveer in 15 minuten voor het gebruik gereed.
In kokend water is het onoplosbaar. Wordt een koud opgelost plaksel verhit dan treedt gelvorming op dat bij afkoeling weer verdwijnt.
Celluloseplaksel dat door welke oorzaak dan ook aan de voorzijde van het behang komt, veroorzaakt in tegenstelling tot de zetmeelplaksels geen vlekken.
De plakkracht van methyl-cellulose is voor alle normale behangselpapieren voldoende. Maar de mogelijkheid is aanwezig om de viscositeit van het plaksel, naar gelang het soort behangselpapier, in te stellen. Het is echter wel noodzakelijk dat men het plaksel zo dik maakt dat verschuiven van de banen nog mogelijk is.
Methyl-cellulose kan men voor dunne behangsoorten met 60 - 70 delen water afdunnen, voor middelzware behangsels is de oplosverhouding 1 : 50. Voor zware behangsoorten is een oplossing van 1 : 40 noodzakelijk.
Naast de zuivere methyl-cellulose treft men ook plakmiddelen in poedervorm aan, waaraan een percentage p.v.a. of andere lijm aan toegevoegd is.
Op de verpakking zal dan waarschijnlijk staan dat 1 deel van dit plakmiddel in 20 delen water opgelost dient te worden omdat het vaste stofgehalte hoger is.
Bovenzijde pagina  

 

 

 

Plakmiddelen op basis van CELLULOSE

 
Carboxy-methyl-cellulose  
Bij de bereiding van C.M.C. is ook natroncellulose het uitgangsmateriaal. Deze natroncellulose wordt in reactie gebracht met het natriumzout van monochloorazijnzuur dat men natriummonochlooracetaat noemt. Hieruit ontstaat dan glycolzure cellulose-ether of C.M.C.
Scheikundig gezien ziet de fabricage, als we natroncellulose als RONa voorstellen, er als volgt uit;
RONa + ClCH2COONa + ROCH2COONa + NaCl.
Uit de formule kan men afleiden dat C.M.C. veel keukenzout (NACl) bevat terwijl ook natriumglykolaat aanwezig is.
Natriumglykolaat ontstaat omdat het monochloorazijnzuur met natronloog reageert.
Door wijzigingen aan te brengen in het fabricageproces kan men meerdere typen C.M.C. maken.
Deze wijzigingen bestaan meestal uit verschillen in concentraties, de volgorde van chemicaliendosering of door toevoeging van zouten.
De voor ons bruikbare soort bestaat uit een reuk- en smaakloos, korrelig produkt. Door deze korrelvorm is klontvorming bij het aanmaken uitgesloten.
Wat de eigenschappen betreffen: deze komen vrijwel, overeen met methylcellulose.
Een verschil met methyl-cellulose is, dat C.M.C. een oplossing van hoge viscositeit geeft bij zowel hoge - als lage temperaturen.
De oplostijd van C.M.C. is van 30 - 60 minuten en is dus langer dan van zetmeelplaksels omdat die spontaner reageren.
C.M.C. heeft een grote kleefkracht en wordt daarom wel gebruikt om de kleefkracht van andere plakmiddelen te verhogen. Tevens is het een neutraal plakmiddel en is ongevoelig voor alkalien.
Ook is C.M.C. niet gevoelig voor schimmels in een vochtige omgeving. De oplosverhouding van C.M.C. is 1 : 40-50 waardoor het vlekvrij is. Dit plakmiddel is bijzonder goed geschikt voor het aanbrengen van eenvoudige behangselpapieren.
Bovenzijde pagina  

 

 

 

VINYLLIJMEN

 
Inleiding  
Deze benaming is een verzamelnaam voor een zeer grote groep plakmiddelen die men onder de vinylplastics kan rangschikken.
Chemisch gezien treft men in de algemene formule bij deze lijmsoorten de kenmerkende vinylgroep H2C = CH- aan.
De lijmsoorten die door de behanger worden gebruikt zijn dus slechts enkele uit deze groep.
Onder deze groep rangschikken we;
-polyvinylacetaat
-polyvinylacetalen
-polyvinylalcohol
-polyvinylether
-polyvinylchloride
-polyvinylpropionaat
-copolymeren van vinylchloride
-copolymeren van vinylacetaat.
-polyacrylaten, die weer copolymeren van vinylacetaat en polyacrylaat kunnen vormen.
Verschillende van deze filmen worden door de industrieën geadviseerd. In veel gevallen zal dat polyvinylacetaatljim betreffen.
Maar ook polyvinylacetalen en met name polyvinylbutyral en de copolymeren van polyvinylacetaat zijn geen onbekenden.
Bovenzijde pagina  

 

 

 

VINYLLIJMEN

 
Polyvinylacetaatlijm  
Bij de bereiding van P.v.a-lijm gaat men uit van de grondstoffen acetyleen of ethyn en azijnzuur.
Acetyleen met de scheikundige brutoformule C2H2 kennen we beter als het actieve carbidgas.
Dit carbidgas kan men op verschillende manieren verkrijgen.
Op de eerste plaats ontstaat het bij het "kraken" van petroleum. Ook uit aardgas kan het gemaakt worden.
Aardgas bestaat hoofdzakelijk uit een mengsel van methaan, propaan, butaan, enz.
Uit het gas methaan, ook wel moerasgas genoemd, wordt ethyn gemaakt.
De derde mogelijkheid om ethyn te maken is om uit te gaan van kalksteen en cokes.
Deze twee grondstoffen worden in elektrische lichtboogovens bij zeer temperaturen gesmolten en vormen dan calciumcarbide.
Door calciumcarbide of beter gezegd carbid, met water in aanraking te brengen krijgt men ethyn.
Dit ehyn laat men reageren met azijnzuur waardoor vinylacetaat ontstaat.
Maar zo eenvoudig is dit niet.
Een manier is om ethyn bij een temperatuur van 60ºC door azijnzuur te persen. Hierbij wordt een gasmengsel van 85 volumedelen ethyn en 15 volumedelen azijnzuur gevormd.
Dit gasmengsel leidt men door een warmte-uitwisselaar waarna de temperatuur tot 170ºC wordt opgevoerd.
In reactievaten bij temperaturen van 190 - 210ºC, met zinkstof op koolstof als katalysator, wordt pas vinylacetaat gevormd.
Hierna wordt de temperatuur tot OºC gereduceerd waarna de koolstofdeeltjes en de gasdeeltjes, die niet gereageerd hebben, worden verwijderd.
Nu pas beschikt men over vinylacetaat dat nog gepolymeriseerd moet worden.
Bij dit polymeriseren gaat een vinylacetaat-molecuul a.h.w. een reactie aan met zich zelf waardoor een groter molecuul wordt gevormd. Een p.v.a.molecuul kan zelfs 10.000 maal zo groot zijn als het oorspronkelijke vinylacetaatmolecuul.
Het polymeriseren kan op diverse manieren gebeuren maar moet in een waterig milieu bij een temperatuur van 70ºC plaatsvinden.
Bij dit polymerisatieproces doet polyvinylalcohol dienst als schutcolloid. en een peroxyde bijv. benzoylperoxyde wordt als katalysator gebruikt. Bij een parelpolymerisatie gebruikt men bijv. natriumpolyacrylaat als emulgator en ook een peroxyde als katalysator.
Een andere manier van polymeriseren is om vinylacetaat in aanwezigheid van oplosmiddelen te laten reageren.
Opgelost ethylacetaat dat dienst doet als katalysator wordt in een polymerisatiekolom bij een temperatuur van ca. 80ºC aan het eerste mengsel toegevoegd.
Door variaties in de fabricage aan te brengen kan een fabrikant met verschillende kwaliteiten op de markt komen.
Het grote verschil wordt meestal bepaald door de viscositeit, wat afhankelijk is van het type schutcolloid en/of emulgator en de gebruikte hoeveelheden daarvan.
De kwaliteiten met weekmakers kunnen een p.v.a. met hoge viscositeit leveren maar er zijn ook laagvisceuze weekmakerhoudende produkten. Als weekmakers gebruikt men ftaalzure - en fosforzure esters.
Van de ftaalzure esters zou men o.a. di-buthyiftalaat, di-iso-buthylftalaat en tricresylftalaat kunnen gebruiken.
Van de fosforzure esters is dit bijv. triresylfosfaat.
De voornaamste eigenschappen van p.v.a. lijm zijn:
-hoog vastestofgehalte
-hoog bindvermogen
-goede elasticiteit
-goede waterbestendigheid
-kleurloos
-afdunbaar met water
-alkalibestendig zijn bepaalde copolymeren, normale p.v.a. is dit niet.
Een nadeel van deze lijmsoort is dat het vorstgevoelig is daarom moet deze lijm vorstvrij bewaard worden.
Om de bestendigheid tegen vorst op te voeren wordt bij de fabricage wel een hoogkokende alcohol bijv. aethyleenglycol toegevoegd.
P.v.a.lijm wordt over het algemeen in de vorm van een witte dispersie geleverd. Na het oproeren is het voor gebruik gereed. Voor sommige wandbekledingen kan het met 5 - 10% water worden verdund om de lijm gemakkelijk te kunnen verwerken.
Eventuele natte lijmvlekken kunnen, indien de wandbekleding dit toelaat, met veel schoon water worden verwijderd.
Gedroogde lijmresten kunnen met een oplosmiddel o.a. ethylacetaat worden verwijderd. Met spiritus kan het ook, maar is een van de minst gunstige produkten.
P.v.a.lijm wordt door verschillende industrieen geadviseerd voor het aanbrengen van polystyreenplaten tot een dikte van ongeveer 5 mm.
Alléén p.v.a. wordt voorgeschreven o.a. voor het plakken van deuren met vinyl op basis van textiel.
Ook voor het aanbrengen van veredeld hardboard, andere boardsoorten en akoestische platen wordt het gebruikt.
Voor het lijmen van p.v.c.folie, een toepassing die opgang maakt, wordt een bepaald type p.v.a.lijm voorgeschreven.
Een mengsel van cellulose of zetmeel met p.v.a.lijm passen we toe voor het aanbrengen van vinylwandbekledingsmaterialen.
Bovenzijde pagina  

 

 

 

VINYLLIJMEN

 
Polyvinylacetalen  
Van de polyvinylacetalen is polyvinylbutyral de belangrijkste. Bij de bereiding wordt uitgegaan van polyvinylacetaat.
Schematisch gezien gaat deze fabricage als volgt:
polyvinylacetaat + methylalcohof > methylacetaat + polyvinylalcohol
methylacetaat + butylaldehyde > polyvinylbutyral
Aan deze polyvinylbutyral, afgekort p.v.b. moet nog weekmakers toegevoegd worden.
Over het algemeen gebruikt men hiervoor dezelfde weekmakers als bij de bereiding van p.v.a.lijm.
Betere resultaten verkrijgt men als men alifatische weekmakers gebruikt. Men verkrijgt een lijm die zeer goed bestand is tegen veroudering. Daarom wordt polyvinylbutyrallijm ook voornamelijk gebruikt voor het lijmen van p.v.c.folien waardoor het bekende plakplastic ontstaat. Eventuele lijmresten, als het plakrniddel verwijderd moet worden, kan men niet met water verwijderen.
Ook met aceton zal men slechts gedeeltelijk succes hebben evenals met benzeen en tolueen.
Wel zijn de vlekken te verwijderen met ethanol en propanol.
Bovenzijde pagina  

 

 

 

VINYLLIJMEN

 
Copolymeren van polyvinylacetaat  
Copolymeriseren wil zeggen dat men twee, meestal verschillende monomeren tesamen polymeriseert.
Bij de fabricage van copolymerisaten moeten de beide monomeren evenveel polymeriseren. Het is dus van groot belang dat men het proces volkomen in de hand houdt.
Het is evenwel ook bij dit proces mogelijk om de eigenschappen van het uiteindelijke produkt naar wens te varieren.
Zo ontstaan bijv. produkten die geschikt zijn voor het aanbrengen van hardschuimfolien.
Ook kan men datzelfde type copolymeer gebruiken voor het plakken van de bekende polystyreentegels of polystyreen voorzien van een vinyllaag.
Daarnaast is het geschikt voor het aanbrengen van opgerold hout.
Zo zijn er ook copolymeren die ongevoelig zijn voor vocht. Deze typen kunnen dus met succes gebruikt worden in keukens, badkamers en andere vochtige ruimten.
Door het fabricageproces goed in de hand te houden zijn er vele mogelijkheden aanwezig en ontstaan lijmsoorten met uiteenlopende eigenschappen.
Hierdoor is het terrein van de behanger uitgebreider en kan men dus wandbekledingsmaterialen gaan aanbrengen waarvan men tot voor kort dacht dat dit niet mogelijk was.
Bovenzijde pagina  

 

 

 

 

 
Resumé  
Met de voortgang der techniek en wetenschap is ook het terrein van de plakmiddelen groter geworden.
Hierdoor zijn de mogelijkheden én de moeilijkheden voor de behanger verruimd.
Wat de mogelijkheden betreft, is men in staat om allerlei vormen van wandafwerking toe te passen.
Voor het uitgebreide assortiment wandbekledingsmaterialen is beslist een lijmmiddel beschikbaar.
Het aantal moeilijkheden is mede toegenomen omdat er een grote verscheidenheid aan lijm- en plakmiddelen beschikbaar is.
Het is daarom van belang dat men de eigenschappen van de diverse soorten kent. Hierdoor is men in staat om op verantwoordde wijze een wandafwerking uit te voeren.
Weet men met een plakmiddel of wandbekledingsmateriaal geen raad dan is het niet verstandig dit zondermeer te gaan toepassen.
Het is dan veel beter de deskundigen van de plakmiddelen- of wand- bekledingsindustrie te raadplegen.
Maar vooreerst is het noodzakelijk dat men altijd de plakvoorschriften opvolgt. Ook het lezen van de verschillende gebruiksaanwijzingen behoren hierbij.
Hierdoor voorkomt men dat men later voor onaangename verrassingen komt te staan en meestal de daarmee gepaard gaande financiele gevolgen.
Bovenzijde pagina  
   
   
Neem even contact met ons op voor een persoonlijk advies
Beginpagina Van Apeldoorn Schildersbedrijf  
home | projecten | onderhoudNL | alg.voorwaarden | subsidie-info | verklaringen | alles over verf
alles over glas | alles over behang | alles over kleur | 4 seizoenen | links | sitemap | sponsoring | actueel |
vacatures | contact