Doorwerken in de winter

Verlichting

 


1. Inleiding 5. Keuze verlichting
2. Welke invloed heeft goede verlichting? 6. Verlichtingsarmatuur en type lampen
3. Begrippen en eenheden 7. Veiligheid van armatuur en installaties
4. Aandachtspunten bij verlichting 8. Verlichting en de verplichting van de ARBO-wet

 

 

1 Inleiding
Bij het verlichten van de werkplek komt een aantal vragen naar voren, zoals:
Wanneer verlichten? Hoe verlichten? Welk lamptype? Welk vermogen moet de lamp hebben? Welk armatuur moet worden gebruikt?

Voor het beantwoorden van deze vragen heeft u met wisselende factoren te maken, zoals:

  • Verschillende afmetingen van werkruimtes
  • Reflectie van wanden en plafond
  • Soort werkzaamheden
Bij afgeschermd buitenwerk is er in de werkruimte altijd sprake van verminderd daglicht. Door donker weer, maar ook doordat het afschermfolie wat licht tegenhoudt. Het ontbreekt gedurende vele uren aan voldoende licht om goed zicht op de werkplek te hebben, daarom is het noodzakelijk kunstlicht te gebruiken. De opvatting dat alleen daglicht in een werkruimte een goede belichting van het werk geeft, is met de moderne verlichtingstechnieken achterhaald.
Kunstlicht
Kunstlicht moet zodanig van intensiteit zijn, dat bij visuele waarnemingen geen extra inspanning van de ogen wordt vereist. Dit geldt voor zowel onder- als overbelichting.

^

 

 

2 Welke invloed heeft goede verlichting?

Goede verlichting is van invloed op:

  • De kwaliteit
  • De veiligheid
  • De werkomstandigheden
Kwaliteit
Met goede verlichting is de kwaliteit beter te beheersen.
Door beter zicht op het werkvlak kunnen ongerechtigheden eerder worden waargenomen en worden voorkomen.
Veiligheid
Bij goede werkverlichting gebeuren minder ongelukken. Obstakels e.d. worden beter en eerder waargenomen.
Werkomstandigheid
Evenals temperatuur en wind kan goede verlichting het behaaglijkheidgevoel beïnvloeden.

^

 

 

3 Begrippen en eenheden
Vaak komt men in productinformatie en op verpakkingen de volgende begrippen en / of eenheden tegen:
Begrippen uitgedrukt in Eenheden
Lichtsterkte   Candela
Lichtstroom   Lumen
Verlichtingssterkte   Lux
Lichtsterkte
Een lichtbron heeft een lichtsterkte met als eenheid candela (cd). Eén candela heeft een lichthoeveelheid van één brandende kaars. Fabrikanten van lampen geven de lichtsterkte op de verpakking in candela aan.
Lichtstroom
Lichtstroom betekent de totale licht hoeveelheid die een lichtbron uitstraalt, met als eenheid lumen (lm). Als men een lichtbron van één candela op één meter afstand een vlak met een oppervlak van 1 M2 laat verlichten, is de op dat vlak vallende lichtstroom één lumen. De verlichtingssterkte houdt hiermee direct verband, 1 lux = 1 lumen per m2. De lichtstroom kan in verband worden gebracht met het vermogen (Watt). Hoe meer lumen per watt des te hoger is de opbrengst aan licht per watt (lichtrendement 1 m/w ook wel specifieke lichtstroom genoemd).
Verlichtingssterkte
Een lichtbron die in een bepaalde richting een lichtsterkte van één candela bezit, brengt in ieder punt van een vlak op één meter afstand loodrecht op deze richting geplaatst, een verlichtingssterkte van 1 lux (1 x). lux kan worden gemeten met een foto-elektrische cel.
Het bovenstaande is in het algemeen een wat lastige materie. U kunt ook volstaan met de samenvatting.
Samenvatting
Candela is de eenheid van de lichtsterkte.
Lumen is de eenheid van de lichthoeveelheid.
Lux is de eenheid van het licht dat op het werkvlak komt.

^

 

 

4 Aandachtspunten bij verlichting

Aandachtspunten bij verlichting zijn:

  • Verblinding
  • Slagschaduw
  • Contrast
  • Lichtkleur/kleurweergave
Verblinding
De verlichting moet zodanig worden geplaatst dat er geen verblinding kan ontstaan. Verblinding maakt het waarnemingsvermogen minder en veroorzaakt vermoeidheid van de ogen. Ook door reflectie kan verblinding ontstaan.
Verblinding wordt in grote mate veroorzaakt door horizontale of bijna horizontale lichtstralen. Een lichtbron wordt naarmate hij dichter bij de gezichtslijn van de ogen kamt, meer verblindend. De waarnemer mag de lamp slechts zien indien bij zijn blik 300 á 450 opslaat.
De verlichting op de juiste hoogte en de juiste plaats ten opzichte van het werkvlak kan verblinding wegnemen en voorkomen.
Slagschaduw
Het werken in eigen schaduw moet worden vermeden. Dit is te voorkomen door de verlichting aan weerszijde van het werkoppervlak te plaatsen. Laat, indien het mogelijk is, de lichtbundel tegen het plafond reflecteren.
*De linker PL-lamp staat ca. 75 cm van de muur en schijnt schuin naar beneden op de muur.
*De rechter PL-lamp staat ca. 75 cm van de muur en schijnt schuin omhoog (indirect licht).
Contrast
Er mag tussen de helderheid van het werkoppervlak en de overige ruimte geen al te grootverschil zijn.
Lichtkleur/ kleurweergave
De kleurtemperatuur van lampen beïnvloedt in grote mate de kleurwaarneming. Elk type lamp heeft zijn eigen kleurtemperatuur aangegeven in Kelvin (K), neutraal wit (ca. 4000 K) en koelwit (5000 K en hoger). In het algemeen zal men bij het werken achter afscherming geen rekening met de kleurtemperatuur van de lamp behoeven te houden.
Als er sprake is van kleurvergelijking, moet men wel rekening houden met de kleurtemperatuur. Men dient dan speciale daglichtlampen te gebruiken of alleen bij daglicht te vergelijken.

^

 

 

5 Keuze verlichting

Een aantal factoren is bepalend voor de keuze van de verlichting:

  • Soort werkzaamheden
  • Verlichtingssterkte
  • Vermogen van lampen
  • Afstand lamp/werkvlak
Soort werkzaamheden en verlichtingssterkte
Uit onderzoek bij verschillende bedrijfstakken is gebleken, dat de werkzaamheden bepalend zijn voor de verlichtingssterkte. De detail-onderscheidingen geven aan welke verlichtingssterkte moet worden gekozen. Voor de schildersbedrijfstak, waarin het algemeen kleine details op het werkvlak moeten worden onderscheiden, is minimaal 500 LUX aan verlichtingssterkte op het werkvlak nodig.
Individueel kan het benodigde aantal LUX wat verschillen. Dit houdt verband met de leeftijd van de persoon. Na het veertigste levensjaar heeft men in het algemeen meer verlichtingssterkte nodig, de contrasten moeten dan groter zijn.
Vermogen van lampen
Onder het vermogen van een lamp wordt verstaan de wattage. Deze is op elke lamp aangegeven.
Afstand lamp/werkvlak en het vermogen van de lampen
Er bestaat een relatie tussen het vermogen van de lamp, afstand tot werkvlak en verlichtingssterkte. De normaal benodigde verlichtingssterkte voor het werkoppervlak is 500 á 750 LUX.
Met behulp van de tabel geven we enkele voorbeelden van de te gebruiken lampen.
Gloeilampen in watt/m2
Lux Lampafstand 2 m Lampafstand 3 m Lampafstand 4 m
500 100 120 128
750 152 180 192
Halogeenlampen in watt/m2
Lux Lampafstand 2 m Lampafstand 3 m Lampafstand 4 m
500 40 48 51
750 61 72 77
TL fluorescentielampern in watt/m2
Lux Lampafstand 2 m Lampafstand 3 m Lampafstand 4 m
500 25 30 32
750 38 45 48
Voorbeeld met verschillende lampen
We gaan uit van een verlichtingssterkte van 500 lux op een werkvlak met een oppervlakte van 10 m2.
Voor verlichting met gloeilampen op een afstand van 2 m is 10 x 100 = 1000 watt nodig.
Voor verlichting met halogeenlampen op een afstand van 3 m is 10 x 48 = 480 watt nodig.
Voor verlichting met TL fluorescentielampen op een afstand van 4 m is 10 x 32 = 320 watt nodig.
Opmerking
In de praktijk zal er een grotere oppervlakte worden verlicht, we krijgen echter alleen op de bewuste 1 0M2 een verlichtingssterkte van 500 lux.
In verband met verschillen tussen het te gebruiken type lamp, de reflector en de omgeving waar de verlichting wordt gebruikt, gelden de getallen in de voorgaande tabel slechts bij benadering.

^

 

 

6 Verlichtingsarmatuur en type lampen
Het type armatuur dat wordt gebruikt, heeft ook invloed op de uiteindelijke opbrengst aan lux dat op het werkoppervlak komt. Voor een afgeschermde ruimte zijn verschillende armaturen met specifieke eigenschappen geschikt:
  • Schijnwerpers met ophangbeugels of met standaard
  • Schaallampen met standaard
  • Volrubber verlichtingsarmatuur met standaard
Afhankelijk van de armatuur kunnen de volgende lampen worden gebruikt:
Halogeen hoogvolt lampen:
Deze hebben een hoge lichtstroom en zijn voorzien van een kwarts glazenbuis.
TL-fluorescentielampen:
Deze lampen zijn zeer efficiënte lichtbronnen met een grote lichtstroom.
Hogedruk metaalhalogeenlamp:
Deze lampen zijn zeer geschikt voor schijnwerpers en hebben een zeer hoge specifieke lichtstroom.
Versterkte gloeilampen:
Deze gloeilampen zijn beter tegen trillingen bestand.
Het is algemeen bekend dat halogeenverlichting een hinderlijke en ongelijke lichtvlakverdeling geeft, waardoor men moeilijk kan zien waar men gebleven is gedurende het schilderen van een oppervlakte. Kleuren komen bij daglicht op hun ware kleur. Bij halogeen is dat helaas niet zo het geval.
Halogeenverlichting is te vergelijken met het schilderen in een ruimte waar de zon een directe invloed heeft. Halogeenverlichting geeft een verblindende bundeling van licht waardoor men met moeite het geschilderde vlak kan onderscheiden van het ongeschilderde vlak. PL- of TL-verlichting is voor dit probleem een oplossing. De armaturen die gebruikt worden voor de PL- of TL-lampen geven een gespreider lichtoppervlak, waardoor o.a. het geschilderde vlak beter te onderscheiden is van het ongeschilderde vlak. Doordat het PL- of TL-licht een grilliger verloop van de kleuren heeft, ontstaat een licht dat het daglicht evenaart. Werken met dit licht, lijkt alsof men werkt tijdens een bewolkte dag.

Wanneer men een oppervlakte wil aanlichten, wordt aangeraden om dit boven of naast de betreffende schilder te doen, zodat er een groter strijklicht gerealiseerd wordt. Zo ontstaat er geen schaduw van de schilder op het oppervlak. Door de lage temperatuurontwikkeling is het ook geen probleem om in de buurt van de PL- of TL- lampen te werken.

Technische gegevens van halogeen en PL-verlichting:
Artikel Kleurentemperatuur Lumen
Halogeenlamp 300 watt ca. 3000 Kelvin 5000 geel/wit licht
PL Delux F 36W/21-840 ca. 4000 Kelvin 2800 helder wit licht
  • Een halogeenlamp geeft een gebundeld licht
  • Het spectrum van de halogeenlamp is egaler, alle kleursoorten zijn hier bijna in gelijke mate aanwezig waardoor een voor het oog fel en geel licht ontstaat
  • Een halogeenlamp geeft veel warmte af
  • Een PL- of TL-lamp geeft een gespreid licht
  • Het spectrum van de PL-lamp geeft een veel grilliger verloop weer, waardoor het daglicht geëvenaard wordt
  • Een PL-lamp wordt handwarm

^

 

 

7 Veiligheid van armatuur en installaties
In de bouw zijn armaturen en lampen extra kwetsbaar. Om deze kwetsbaarheid te verminderen zijn de armaturen met specifieke voorzieningen uitgerust.
Verplaatsbare verlichting
Verplaatsbare verlichtingsarmatuur moet van een zodanige constructie zijn, dat er geen uitwendige metalen delen door een defect onder spanning kunnen komen te staan. De norm NEN 1010 geeft dit aan.
Dit betekent dat de armatuur dubbel moet zijn geïsoleerd. Bij gloeilampen is het niet noodzakelijk dat de lamp mechanisch is beveiligd, maar wenselijk is het wel.
Vocht en stof
De armatuur kan naar de mate van afdichting geclassificeerd worden met:
spatwaterdicht, regenwaterdicht en stofdicht. Hiernaast zijn nog andere gradaties mogelijk
Kwetsbaarheid
Gloeilampen van schaallampen zijn kwetsbaar; zorg dat de gloeilampen niet buiten de rand van de schaal uitsteken.
Explosiegevaar
Bij onvoldoende ventilatie kan bij verwerken van bepaalde verfproducten de dampconcentratie te hoog oplopen en is en een reële kans op explosie aanwezig. Door het in- en uitschakelen van elektrische installaties (verlichting) kan de dampconcentratie exploderen.
Stabiliteit
Verlichting met standaard is gemakkelijk te verplaatsen. Deze standaard, voorzien van een zware voetplaat of brede poten, verhoogt de stabiliteit en verkleint de kwetsbaarheid.
Kabels
Kabels moeten van een zware rubbermantel zijn voorzien met de genormaliseerde aanduiding RMvLz. De kabel moet goed worden ontlast van krachten, trekken of wringen. Dit kan worden bereikt door het aanbrengen van een trekontlasting op de plek waar de kabel de armatuur en de stekkerdoos verlaat.

Opgelet!

  • De armatuur moet voldoen aan de NEN 1 01 0
  • Zorg dat de verlichting niet te dicht bij brandbaar/smeltbaar materiaal wordt geplaatst
  • Voorkom het kijken in de lichtbundel
  • Zorg dat er niet over elektrakabels, verlichtingsstandaards kan worden gestruikeld
  • Haspels helemaal ontdoen van elektrakabel, in verband met spoelwerking
  • Bij explosiegevaar goed ventileren

^

 

 

8 Verlichting en de verplichting van de ARBO-wet
Klasse I
Voor een permanente opstelling boven de 2,5 m aan wand of meer.
Aansluiting op het net d.m.v. een 3-aderige aansluitkabel (met randaarde).
Klasse II
Voor gebruik op de werkvloer binnen handbereik (verplaatsbare armaturen) of voor permanente opstelling.
Deze armaturen mogen bouwlampen genoemd worden. Aansluiting op het net d.m.v. een 2-aderig aansluitsnoer van het type H07RN-F met een minimale lengte van 5 meter. Deze armaturen zijn dubbel geïsoleerd en hebben het Kema Keur. Grondstandaards of uitschuifbare statieven t.b.v. verplaatsbare armaturen (bouwlampen) dienen voorzien te zijn van geïsoleerde handgrepen en mogen op een helling van 15 graden niet omvallen!
Klasse III
Voor gebruik in nauwe geleidende ruimtes (kelders, ketels, etc.). Deze armaturen dienen te worden aangesloten op veiligheidstransformatoren met een uitgangsspanning van lager dan 50 volt. De veiligheidstransformator dient men boven de vloer en buiten de ruimte te plaatsen. Bij gebruik van elektrisch gereedschap dient men een scheidingstransformator te gebruiken. De combi-transformator geeft u de mogelijkheid elektrisch handgereedschap 230 Volt- veiligheidsvelichting te gebruiken.
^
Beginpagina Van Apeldoorn Schildersbedrijf
home | projecten | onderhoudNL | alg.voorwaarden | subsidie-info | verklaringen | alles over verf
alles over glas | alles over behang | alles over kleur | 4 seizoenen | links | sitemap | sponsoring | actueel |
vacatures | contact